Ze hadden het beleefd gevraagd. Ze hadden gesmeekt. Maar pas toen ze beloofden hun legendarische paardenworst voor één dagje te bannen, plooide de zanger. En toch vormden Morrissey en de Lokerse Feesten donderdagavond geen match made in heaven; er hing te veel routine in de lucht.
Al konden we bij aanvang toch opgelucht ademhalen. Na een week vol hetze over ’s mans overtrokken uitspraken rond de slachtpartij van Anders Breivik in Noorwegen, mocht het dan toch eindelijk weer over de muziek van de voormalige Smithsfrontman gaan. En met een setlist die werkelijk elke fan bevredigde — Smithsklassiekers! Lang niet gespeelde nummers als “Alma Matters”! Publiekslievelingen! — werd een erg overtuigend argument pro domo op tafel gekletst.
Maar dat was enkel in potentie. Mozza zat er maar half in, zo bleek al van bij de obligate openingszin. “Are you ready to take the risk?”; luidde het, in een flauwe en wazige knipoog naar het tumult over het verbannen van alle vlees, en zijn persoonlijk vergelijkend moordonderzoek. Voor het overige geen opmerkingen, geen excuses. En dat hoefde ook niet. Maar wat wel onvergeeflijk was, was de algehele desinteresse waarmee de zanger op het podium leek te staan.
Natuurlijk, zelfs een ongemotiveerde Morrissey is nog altijd beter dan honderd poserende frontmannen zonder charisma. En vanzelfsprekend heeft hij van dat gespeelde dédain zijn handelsmerk gemaakt. Maar hij heeft het al overtuigender gedaan. Donderdag leek het enkel getelefoneerd. En dat een nieuw — lang voor de Noorse tragedie geschreven — nummer “Scandinavia” heet, en ongelukkige lijnen bevat als “I despise each syllable in Scandinavia/Let the people burn, Let their children cry and die in blind asylum”, maakt het er niet beter op. Hij bedoelt het goed, overigens. Daarna gaat het van: “But then you came along/And you held out your hand/And I fell in love with you and Scandinavia.”
Maar opener “I Want The Want The One I Can’t Have” valt, behalve bij de harde spionkop centraal vooraan, dus dood op het nog van de laatste regen nadruipend plein. En dat is begrijpelijk; zelfs al brengen de muzikanten — allen strak in een “Fuck Fur”-shirt om het vleesgegeven er nog wat meer in te hameren — de huppelende rockabilly uitstekend, nauwelijks tien meter van het podium af klinkt het dof, en haalt het nauwelijks de triestige Schauvliege-decibelnorm. Zelfs een potig “First Of The Gang To Die” krijgt het vuur erna niet helemaal aan de lont. En klinkt Morrissey zelf niet even heel slecht bij stem? Het betert gelukkig.
De zanger is vandaag immers niet te beroerd om een zelden live gespeeld nummer als “You’re The One For Me, Fatty” op te diepen. Jolijt bij de fans, maar de pubers iets verderop beginnen langzamerhand af te druipen. Om het nog wat erger te maken wordt “There Is A Light That Never Goes Out”, dé klassieker onder de Smithshoogtepunten , veel te traag afgeleverd, wat de ziel uit het nummer perst. Een klaaglijk “Everyday Is Like Sunday”, de hartenkreet van elke verveelde puber in een provinciestadje, is dan toch een klein hoogtepunt.
En Morrissey? Hij speelt het afstandelijk. De frontstage is ook te breed, dus geen lemmingenstormloop op het podium, geen opzichtig handjes raken op de eerste rij; zelfs de catwalk wordt nauwelijks gebruikt. De poses voelen vermoeid aan. Met een jodelend “One Day Goodbye Will Be Farewell”, van ’s mans onderschatte laatste album Years Of Refusal, wordt gelukkig teruggeslagen. Een cover van Lou Reeds “Satellite Of Love” is vervolgens wel ok, maar ook volstrekt onnodig.
Nog twee echte uitschieters. “I Know It’s Over”, zowat het meest dramatische uit het Smithsoeuvre, krijgt een knappe uitvoering, net als “Meat Is Murder”, dat — vanzelfsprekend — begeleid wordt door filmpjes die de wreedheid van de vleesproductie benadrukken. Eerlijk? We vinden de klaaglijk loeiende koeien van de plaatversie verkillender, maar toen hadden we die outro nog niet gehoord. Voor één keer mag de band immers van de ketting, en die bedankt door alle registers open te trekken in een zware, hamerende coda. Met het slepende “Speedway” wordt de set eigenlijk afgesloten, maar Morrissey plakt er het gewoonlijke bisnummer “Irish Blood, English Heart” meteen aan vast. Het is tijd om te vertrekken, zo na een flink uur en een kwartier.
Je vraagt je af of dit nu een offday was, of dat Morrissey niet gewoon opnieuw eens goesting moet krijgen in wat hij doet. Misschien ontbrak het aan de rabiate idolatrie die hem op zaalconcerten doorgaans te beurt valt om het vuur te ontsteken, misschien was het vermoeidheid, maar dit was geen concert waarmee je aan een leek uitgelegd krijgt waarom Morrissey het fenomeen is dat hij is. Misschien was een zaalconcert beter geweest.