
Our Brother The Native is een trio Amerikaanse tieners die in de
einddagen van hun puberteit (twee ervan zijn nog maar 16 jaar)
opteerden om experimentele folk te gaan componeren in plaats van de
locale frat parties af te schuimen. Hun eerste materiaal
plaatsten ze op een Myspace-account en aldus werden ze door het Fat
Cat-label opgepikt. Voor hun debuut hanteren ze een heel arsenaal
aan instrumenten, waaronder gitaar, keyboard, cimbalen, violen, een
accordeon maar ook een gemanipuleerde Furby-pop. Deze jongens
scoren dus op het vlak van inventiviteit. Aanvankelijk nam Chaz
Knapp ook de vocals voor zijn rekening, maar na verloop van tijd
werd voor de meeste nummers een beroep gedaan op Jean Bertram, de
moeder van Josh-Michael Foss, een zanglerares uit Michigan.
Al bij een eerste blik op het album wordt duidelijk dat deze
jongens zich liefst zo veel mogelijk van het establishment
afzetten: de hoes is een wazige waterverfcompositie, de meeste
tracks dragen titels waar The Mars
Volta een episch werk aan zou kunnen koppelen en met hun
zogenaamde ‘freaky folk’ distantiëren ze zich gelukkiglijk van al
het Amerikaanse tienerpunkgeweld. Het album is in feite een
georkestreerde chaos, waarbij eenvoudige songs met storingen,
onderbrekingen en vervormingen vermengd worden. Meteen worden zo
enkele aanknooppunten duidelijk: hier en daar gaan feeërieke
melodieën samen met verwrongen, kindse stemmetjes die meteen aan
Lady and Bird doen denken (luister maar naar ‘Falconiformes’), het
aardige ‘Quercusfalcata’ hanteert de rasperige vocals die we ook
bij Cocorosie hoorden en in het
bezwerende ‘Catalpa’ herkennen we een zweem van Metallic Falcons. Deze referenties
worden omwille van het wat beperkte genre meteen duidelijk, maar
leveren niettemin enkele sterke tracks op. ‘Stringiformes’ lijkt
door de wazige opname vanuit de verte te klinken, maar wint
hierdoor een intrigerende sfeer. De kers op de taart wordt echter
tot op het einde bewaard: ‘Nautilidae’ is een dijk van een
afsluiter die een mystieke sfeer met onderkoelde gezangen
opluistert met vioolpartijen.
Alvorens we bij deze apotheose belanden, passeren echter ook enkele
minderwaardige tracks de revue. Zo klinkt Knapps stem op ‘Tilia
Pitiolaris’ te onvast en is de compositie voorts te naakt om nog
een degelijk nummer op te leveren. De grootste problemen duiken op
bij het met haken en ogen aaneen hangende ‘Welcome to the Arborary’
en ‘Nautical Spirits – Welcome to the Aquarium’, twee nummers die
gewoonweg te langgerekt zijn om te kunnen boeien en beter tot
intro’s ingekort waren.
Als debuut van een groepje tieners is ‘Tooth and Claw’ zeker een
verdienstelijke plaat geworden, die getuigt van muzikale
onderlegdheid. Spijtig genoeg zorgt de genrekeuze voor links met
enkele grotere namen die in dezelfde niche meer kwaliteit te bieden
hebben. Ook toont deze plaat te weinig variatie en duiken hier en
daar enkele zwakkere nummers op. Toch hoop ik dat deze jongeren de
kans gegund wordt om wat door te groeien. Binnen enkele jaren zou
deze investering wel eens een magistraal resultaat kunnen
opleveren.